Voortgangsrapportage regering
Op 25 november is er in de Tweede Kamer gesproken over de voortgang van de Brede Richtlijn. Dit ter voorbereiding van de Sociale Raad van 30 november. Hieronder volgt de integrale tekst van de geannoteerde agenda. De regering heeft de Kamer een brief hierover gestuurd. Ook het impact assessment is naar de Kamer gezonden
Agendapunt: Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid
Om het EU-rechtskader aan te vullen, heeft de Europese Commissie een voorstel voor een nieuwe richtlijn ingediend voor gelijke behandeling van personen op de gronden godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid buiten de arbeidsmarkt. Het vormt een aanvulling op het bestaande communautaire rechtskader dat discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verbiedt in arbeid, beroep en beroepsopleiding.
Het voorstel bestrijkt het verbod van discriminatie in zowel de overheidssector als in de particuliere sector ten aanzien van sociale bescherming met inbegrip van sociale zekerheid en gezondheidszorg, sociale voordelen, onderwijs en toegang tot goederen en diensten die commercieel voor het publiek beschikbaar zijn, met inbegrip van huisvesting. Het voorstel
beoogt directe en indirecte discriminatie, intimidatie en het geven van een opdracht tot discrimineren te verbieden. Ten aanzien van de grond handicap betekent gelijke behandeling tevens het realiseren van toegankelijkheid en de naleving van het beginsel van «redelijke aanpassingen».
Er bestaan momenteel verschillen in beschermings-niveau tussen de verschillende anti-discriminatiegronden die het Verdrag noemt. De Commissie wil de verschillen in beschermingsniveau met dit voorstel gelijk trekken. Daarbij wil de Commissie helder afbakenen wat wel en niet op EU niveau geregeld kan worden en nationale bevoegdheden ongemoeid laten.
Nederlandse opstelling
Nederland kan de voortgangsrapportage aanhoren. Recent zijn aan de Kamer het Impact Assessment en het daarbij horende kabinetsstandpunt gestuurd.
Het kabinet heeft een positieve grondhouding ten aanzien van deze richtlijn, maar is bezorgd over de wijze waarop de doelstellingen volgens het oorspronkelijke Commissie voorstel gerealiseerd zouden moeten worden. Uit een krachtenveldanalyse blijkt dat de Nederlandse zorgen gedeeld worden door een groot aantal landen.
Alhoewel het kabinet de nodige kanttekeningen plaatst bij de resultaten van het Impact Assessment, kunnen de financiële gevolgen substantieel zijn. Om deze reden kan het kabinet niet instemmen met de tekst van het
oorspronkelijke commissievoorstel. De Nederlandse inzet is er op gericht te komen tot dusdanige aanpassingen dat de financiële gevolgen sterk
gemitigeerd worden.
De Nederlandse inzet zal erop gericht zijn de terminologie en reikwijdte van het voorstel voldoende in te kaderen. Daarbij moet de bevoegdheidsverdeling
met betrekking tot de materiele werkingssfeer en concepten zoals «reasonable accommodation» en disproportionate burden» tussen de Lidstaten en de Gemeenschap zo duidelijk mogelijk aangegeven
worden. Ingezet wordt op het zoveel mogelijk laten aansluiten van de richtlijn op de nationale beleidskeuzen en, daar waar dat niet mogelijk is, het creëren
van voldoende ruimte voor lidstaten om eigen afwegingen te maken bij de naleving van de verplichtingen uit de richtlijn en de nakoming van die
verplichtingen waar nodig in de tijd te spreiden. Het kabinet pleit voor een expliciete en duidelijke afbakening van de werkingssfeer van de richtlijn,
alsmede voor een verduidelijking van de gehanteerde terminologie en de financiële en administratieve impact.
Nederland zet tijdens de onderhandeling in op het verder verduidelijken van de tekst, mede door met Nederlandse tekstvoorstellen te komen, zodat gepreciseerd wordt wat er wel en niet onder de richtlijn valt. Een richtlijn met zware verplichtingen vergt een decennialange implementatietermijn om te kunnen steunen op voldoende draagvlak bij het bedrijfsleven,
de overheden en maatschappelijke organisaties en zonder dat het nationale traject van vergroting van toegankelijkheid in de praktijk wordt ondermijnd. Het kabinet gaf in dit licht al eerder aan dat in de gaten zal
worden gehouden dat de richtlijn voldoende ruimte biedt voor het Nederlandse tweesporenbeleid dat naast de rechtsbescherming op basis van gelijke behandelingswetgeving ook in eigen nationale keuzes wat betreft voorzieningenwetgeving voorziet. Nederland meent bijvoorbeeld dat ten aanzien van toegankelijkheidsverplichtingen op het terrein van vervoer het beginsel lex specialis gaat vóór lex generalis dient te gelden. Met andere woorden, dit richtlijn voorstel dient niet te treden in de toegankelijkheid
voor personen met een handicap van vervoersterreinen waarvoor al specifieke Europese wetgeving bestaat (bijvoorbeeld spoorvervoer en luchtvaart) c.q. in de maak is (zee- of binnenvaart en busvervoer).
Het kabinet is voornemens het betreffende richtlijn voorstel volgens deze lijnen te beoordelen. Zodra de fase van besluitvorming nadert zal het kabinet een definitief standpunt innemen op basis van de tekst die dan voorligt. Het kabinet behoudt zich hierbij het recht tegen te stemmen indien Nederland de juridische en financiële gevolgen van de richtlijn onaanvaardbaar vindt. Het parlement zal over de voortgang worden geïnformeerd.







